Word
is een krachtige toepassing voor tekstverwerking en opmaak, maar om deze zo doeltreffend mogelijk te kunnen gebruiken, hebt u eerst enige basiskennis nodig. In deze zelfstudie worden enkele van de taken en functies geïntroduceerd die u in alle documenten kunt gebruiken.
Leerdoelen
Na het voltooien van deze zelfstudie kunt u het volgende:
Een nieuw, leeg document maken.
Onderdelen van de gebruikersinterface herkennen waarmee u basistaken kunt uitvoeren.
Navigeren in het document.
Tekst selecteren, opmaken, kopiëren, plakken en verplaatsen.
Afstand, marges en afdrukstand van een document instellen.
Een document opslaan in een nieuwe map.
Vereisten
Word voor Mac 2011
Geschatte duur
30 minuten
1. Een nieuw, leeg document maken
In Word kunt u inhoud maken en opslaan in een document. U kunt beginnen met een leeg document, een bestaand, opgeslagen document of een sjabloon. Wanneer u Word opent, wordt de Galerie met Word-documenten geopend. Deze bevat allerlei sjabloonopties en snelle toegang tot recente documenten.
Gebruik de Galerie met Word-documenten
om een leeg document te openen.
Als u Word nog niet hebt geopend, klikt u in het Dock op Word.
Klik in de Galerie met Word-documenten onder Sjablonen aan de linkerzijde op Alle.
Tip Als u de documentgalerie niet ziet, sluit u Word en opent u het opnieuw.
Klik op Word-document en klik vervolgens op Kiezen.
Tip Als u altijd wilt beginnen met een leeg document wanneer u Word opent, schakelt u het selectievakje Niet weergeven als Word wordt geopend in.
Er wordt een leeg document weergegeven (Document1).
Aanwijzingen
Als u een nieuw, leeg document wilt maken, kunt u in Word op elk gewenst moment in het menu Bestand op Nieuw leeg document klikken (in deze zelfstudie ook geschreven als Bestand > Nieuw leeg document).
Als u de Galerie met Word-documenten
wilt weergeven terwijl u met Word werkt, klikt u op Bestand > Nieuw van sjabloon.
De standaardlocatie voor het opslaan van sjablonen is
/Gebruikers/gebruikersnaam/Bibliotheek/Toepassingsondersteuning/Microsoft/Office/Gebruikerssjablonen. Als u Mac OS X 7 (Lion) gebruikt, is de map Bibliotheek standaard verborgen. Als u de map Bibliotheek wilt weergeven in de Finder, klikt u op het menu Ga en houdt u
OPTION ingedrukt.
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
Word openen
vanuit het Dock in Mac OS X
De Galerie met Word-documenten
om een nieuw, leeg document te maken
2. De gebruikersinterface van Word verkennen
In een nieuw, leeg document kunt u eenvoudig beginnen met typen. Voordat u echter daarmee begint, is het verstandig vertrouwd te raken met enkele van de elementen van de gebruikersinterface die u in alle documenten kunt gebruiken.
In het volgende gedeelte worden enkele elementen van de gebruikersinterface van Word
behandeld.
Menubalk: Het gebied boven in het scherm waar alle menu's worden weergegeven.
de meest gebruikte menuopdrachten vindt u in de menu's Bestand, Bewerken en Beeld.
Standaardwerkbalk: de werkbalk waarop de naam van het document wordt weergegeven (in dit geval Document1) en knoppen voor enkele van de meest gebruikte taken, zoals het openen, opslaan en afdrukken van een document.
Lint: De opdrachtbalk met tabbladen boven in het venster of werkgebied waarmee functies worden gerangschikt in logische groepen.
op het tabblad Start en het tabblad Indeling vindt u de meest gebruikte opdrachten voor het opmaken van tekst en het wijzigen van de documentindeling.
Cursor: de knipperende verticale lijn in een document die aangeeft waar de tekst verschijnt wanneer u begint met typen.
Schuifbalk: de balk aan de zijkant van het documentvenster. Sleep de schuifbalk omhoog of omlaag om delen van het document weer te geven die op dat moment niet zichtbaar zijn.
Aanwijzingen
Klik rechts van het lint op
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
De elementen van de gebruikersinterface identificeren die u in alle documenten kunt gebruiken
3. Navigeren in een document
Documenten kunnen verschillende soorten inhoud bevatten, zoals afbeeldingen, grafieken, illustraties en tabellen. De meest gebruikte inhoud is echter tekst.
Hieronder ziet u hoe u via een snelkoppeling een voorbeeldtekst maakt en met de schuifbalk en de pijltoetsen door het document kunt gaan.
Typ, terwijl de cursor boven aan het document knippert,
=rand(10,10) om de snelkoppeling in te voeren en druk op return.
In Word
worden tien alinea's tekst ingevoegd, verdeeld over twee pagina's. De cursor wordt knipperend onder de tekst weergegeven.
Sleep de schuifbalk naar boven in het document en klik vervolgens op het begin van de eerste zin om de cursor boven aan het document te plaatsen.
Druk tweemaal op
RETURN
en druk vervolgens tweemaal op de pijl-omhoog op het toetsenbord om naar de bovenste regel van het document te gaan.
Typ
De vos en de hond.
Aanwijzingen
Als u niet onder de cursor kunt klikken, bent u aan het einde van het document. Als u extra lege regels wilt invoegen, drukt u eenmaal op RETURN
voor elke regel die u wilt invoegen.
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
Gebruik de schuifbalk en de pijltoetsen om u door de tekst te verplaatsen.
Lege regels invoegen door op
RETURN te drukken
4. Tekst selecteren
Als u wijzigingen aan de tekst wilt aanbrengen (bijvoorbeeld om deze op te maken, te kopiëren of te verplaatsen), moet u eerst de tekst selecteren waarmee u wilt werken. U kunt afzonderlijke tekens selecteren, specifieke woorden of hele alinea's.
Hieronder ziet u hoe u verschillende manieren kunt gebruiken om tekst te selecteren.
Dubbelklik op het eerste exemplaar van het woord snelle. Het woord is nu gemarkeerd om aan te geven dat het is geselecteerd.
Klik links van het tweede exemplaar van De. Houd de muisknop ingedrukt, sleep in diagonale richting over de alinea en laat de muisknop los. De gehele alinea is nu geselecteerd.
Tip U kunt ook driemaal op een willekeurig woord in de tekst klikken om een hele alinea te selecteren.
Houd op het toetsenbord Command (⌘) ingedrukt en druk vervolgens op A. Alle tekst in het document is geselecteerd.
Tip U kunt ook klikken op Bewerken > Alles selecteren om alle inhoud van een document te selecteren.
Als u de selectie wilt opheffen, klikt u op een willekeurige plaats in het document. De markering verdwijnt en de cursor wordt weer weergegeven waar u hebt geklikt.
Aanwijzingen
Als u één regel tekst wilt selecteren, verplaatst u de aanwijzer naar de linkermarge van het document. Wanneer de aanwijzer verandert in een , klikt u om de regel tekst te selecteren.
De cursor is verborgen wanneer tekst is geselecteerd.
Sneltoetsen (bijvoorbeeld
⌘+A), worden rechts van de opdracht in het menu weergegeven (bijvoorbeeld Bewerken > Alles selecteren).
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
Een woord selecteren, een alinea selecteren en alle tekst in het document selecteren
De selectie van de tekst opheffen
5. Tekst opmaken
Nadat u tekst hebt geselecteerd, kunt u deze opmaken. U kunt bijvoorbeeld het lettertype, de tekengrootte en de tekstkleur wijzigen.
Hieronder ziet u hoe u het lettertype, de tekengrootte en de tekstkleur van de documenttitel kunt wijzigen.
Selecteer de documenttitel (bijvoorbeeld De vos en de hond).
op het tabblad Start, onder Lettertype klikt u op het snelmenu Lettertype en vervolgens op Arial Black.
Tip Als u een tip wilt zien voor een opdracht op de werkbalk of het lint, houdt u de aanwijzer boven de knop.
Klik in het snelmenu Tekengrootte op 16.
Klik in het snelmenu Tekstkleur op Accent 2.
De documenttitel heeft nu een nieuwe tekstkleur, een nieuw lettertype en een nieuwe tekengrootte.
Aanwijzingen
Voor meer opmaakopties selecteert u de tekst die u wilt opmaken en klikt u vervolgens op Opmaak > Lettertype.
Als u de opmaak die op tekst is toegepast wilt verwijderen, selecteert u eerst de tekst. Klik vervolgens op het tabblad Start onder onder Stijlen op Normaal.
U kunt stijlen gebruiken om verschillende soorten opmaak gelijktijdig toe te passen. Stijlen vindt u op het tabblad Start.
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
Het lettertype, de tekengrootte en de tekstkleur van geselecteerde tekst opmaken
6. Kopiëren, plakken en slepen
Met de opdrachten kopiëren en plakken kunt u tekst eenvoudig opnieuw gebruiken zonder dat u deze opnieuw hoeft te typen. U kunt tekst ook slepen om deze snel naar een andere locatie in het document te verplaatsen.
Hieronder ziet u hoe u tekst in het document kunt kopiëren, plakken en slepen.
Selecteer de titel die u in de vorige lessen hebt getypt en opgemaakt.
Klik op Bewerken > Kopiëren.
Tip ⌘+C
is de sneltoets voor kopiëren.
Sleep de schuifbalk naar het einde van het document, klik onder de laatste alinea en druk tweemaal op
RETURN
.
Klik op Bewerken > Plakken.
Tip ⌘+V
is de sneltoets voor plakken.
Een kopie van de titel is nu aan het einde van het document geplakt.
Selecteer de alinea boven de geplakte titel.
Klik in de geselecteerde alinea, sleep de selectie onder de geplakte titel en laat de muisknop los.
De alinea wordt nu weergegeven onder de geplakte titel.
Aanwijzingen
Voor meer opties houdt u
CONTROL ingedrukt en klikt u op geselecteerde tekst.
Als u de vorige bewerking ongedaan wilt maken, klikt u op Bewerken > Ongedaan maken, of gebruikt u de sneltoets
⌘+Z.
U kunt ook tekst van een toepassing naar een andere kopiëren en plakken (bijvoorbeeld van Word
naar PowerPoint).
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
Tekst kopiëren en plakken
Tekst naar een nieuwe locatie in het document slepen
7. De documentindeling wijzigen
In Word
beschikt u over veel indelingsopties, zodat u het document precies het gewenste uiterlijk kunt geven. U kunt bijvoorbeeld snel de regelafstand, marges en afdrukstand wijzigen.
Hieronder ziet u hoe u enkele indelingsopties voor het document kunt wijzigen.
Klik op Bewerken > Alles selecteren om alle tekst in het document te selecteren.
op het tabblad Start, onder Alinea klikt u op Regelafstand en vervolgens op 1,5.
op het tabblad Indeling, onder Marges klikt u op Marges en vervolgens op Smal.
op het tabblad Indeling, onder Pagina-instelling klikt u op Afdrukstand en vervolgens op Liggend.
In Word
worden de geselecteerde instellingen voor regelafstand, marge en afdrukstand toegepast.
Aanwijzingen
Als u de eerste regel van een alinea wilt laten inspringen, klikt u voor het eerste woord van de alinea en drukt u vervolgens op
TAB. Als u de hele alinea wilt laten inspringen, klikt u links van een willekeurige andere regel en drukt u vervolgens op
TAB.
Als u rechtstreeks naar de instellingen voor afdrukstand wilt gaan, klikt u op Bestand > Pagina-instelling.
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
De regelafstand, marges en afdrukstand van een document wijzigen
8. Een document opslaan in een nieuwe map
Tot nu toe zijn geen van de wijzigingen die u in het document hebt aangebracht opgeslagen. De algemene bestandsnaam (Document1) boven de werkbalk Standaard geeft aan dat het document niet is opgeslagen.
Hieronder ziet u hoe u het document kunt opslaan in een nieuwe map op de computer.
Klik op Bestand > Opslaan.
Voer in het vak Opslaan als een naam in voor het document (bijvoorbeeld
Basiskennis van Word).
Klik in het pop-upmenu Waar op Documenten en klik op de pijl naast het vak Opslaan als zodat de pijl naar boven wijst. Alle mappen in de map Documenten worden weergegeven.
Klik op Nieuwe map.
Typ in het dialoogvenster Nieuwe map de tekst Oefenmap voor Word en klik op Maken.
Klik op Opslaan.
De bestandsnaam (bijvoorbeeld Basiskennis van Word.docx) van het opgeslagen document wordt weergegeven boven de werkbalk Standaard.
Aanwijzingen
Als u een document wilt openen waaraan u recent hebt gewerkt, klikt u op Bestand, wijst u Open recente bestanden aan en klikt u vervolgens op het document dat u wilt openen.
Als u een lijst wilt weergeven met alle Word-documenten die zijn opgeslagen op de computer, klikt u op Bestand > Nieuw van sjabloon. Klik vervolgens in het linkerdeelvenster onder Recente documenten op Alle.
Als u Word wilt afsluiten, klikt u op Word > Word afsluiten, of drukt u op
⌘+Q.
Voordat u verdergaat
Controleer of u het volgende kunt doen:
Een document opslaan in een nieuwe map
Snelreferentiekaart
Actie
Handeling
Een nieuw, leeg document maken
Klik in de Galerie met Word-documenten op Word-document en klik vervolgens op Kiezen. Als de Galerie met Word-documenten
niet is geopend, klikt u op Bestand > Nieuw leeg document.
De Galerie met Word-documenten
op elk gewenst moment openen
Klik op Bestand > Nieuw van sjabloon.
Het lint verbergen
Klik rechts op het lint op .
Een lege regel invoegen
Klik aan het einde van de tekst waar u de lege regel wilt weergeven en druk vervolgens op
RETURN.
Eén woord in een document selecteren
Dubbelklik op het woord.
Een hele alinea selecteren
Klik aan het begin van de alinea. Houd de muisknop ingedrukt, sleep in diagonale richting over de alinea en laat de muisknop los. U kunt ook driemaal klikken op een willekeurig woord in de alinea.
Alle inhoud van het document selecteren
Klik op Bewerken > Alles selecteren.
Opmaak van tekst verwijderen
Selecteer de tekst. Klik vervolgens op het tabblad Start, onder Stijlen op Normaal.
De sneltoets voor een opdracht zoeken
Sneltoetsen vindt u rechts van de opdracht in een menu. In het menu Bewerken is de sneltoets voor Kopiëren bijvoorbeeld
⌘+C.
Tekst kopiëren
Selecteer de tekst die u wilt kopiëren en klik vervolgens op Bewerken > Kopiëren.
Tekst plakken
Klik op de plaats waar u de tekst wilt plakken en klik vervolgens op Bewerken > Plakken.
De regelafstand wijzigen voor het hele document
Selecteer alle tekst in het document. Klik op het tabblad Start, onder Alinea op Regelafstand en voer vervolgens de gewenste afstand in (bijvoorbeeld 1,5).
De afdrukstand (bijvoorbeeld Liggend) wijzigen voor een document
op het tabblad Indeling, onder Pagina-instelling klikt u op Afdrukstand en vervolgens op de gewenste afdrukstand.
Een document openen waaraan u recent hebt gewerkt
Klik op Bestand > Open recente bestanden en klik vervolgens op het document dat u wilt openen.
Word afsluiten
Klik op Word > Word afsluiten.
Meer aanwijzingen
De meest gebruikte opmaakopties, zoals lettertype, tekengrootte en tekstkleur, vindt u op het tabblad Start.
U kunt tekst tussen toepassingen kopiëren en plakken (bijvoorbeeld van Word
naar PowerPoint).
Als u een sneltoets wilt gebruiken (bijvoorbeeld
⌘+C), houdt u de Command-toets (⌘) ingedrukt en drukt u vervolgens op C.
Enkele van de meest gebruikte sneltoetsen zijn:
⌘+C
om tekst te kopiëren,
⌘+V
om tekst te plakken en
⌘+Z
om de laatste wijziging ongedaan te maken.
De algemene bestandsnaam (Document1) boven de werkbalk Standaard geeft aan dat het document niet is opgeslagen.
Verwante lessen
Als deze training u goed is bevallen, kunt u ook de volgende les proberen: